Manoeuvreren volgens de RijRegels

In je werk krijg je steeds meer te maken met hulpmiddelen op wielen. Let op dat je bij het rijden, voldoet aan de Praktijkrichtlijn voor manoeuvreren. Manoeuvreren of rijden kun je het beste door de zes RijRegels in acht te nemen.
De zes RijRegels
Maak gebruik van je lichaamsgewicht. Ga naar voren hangen als je duwt en naar achteren als je trekt. Duw en draai nooit tegelijk; doe óf het een óf het ander. Zorg dat je handen en je voeten in de dezelfde richting wijzen. Als je draait, loop dan zelf om het object heen en neem het in die beweging met je mee. Het object zal dan soepel om zijn as draaien. Laat het object nooit om jou heen draaien: je verwringt dan je rug. Probeer het maar eens door te rijden met een vol winkelkarretje. Plaats één voet op het onderstel of een richel als dat mogelijk is. Dat helpt bij het duwen. Als de zwenkwielen nog niet in de juiste richting staan, kun je ze op deze manier in de juiste rijrichting krijgen, zonder dat je met je armen hoeft te sjorren. Beweeg gelijkmatig en rustig. Plotselinge bewegingen zijn slecht voor je lichaam en bij het manoeuvreren met een rolstoel ook onplezierig voor de cliënt. ‘Keep them rolling’: vermijd veelvuldig stoppen en starten wanneer je over langere afstanden moet rijden.
Maar pas op. Ook als je je houdt aan deze RijRegels wil dat niet altijd zeggen dat je je lichaam niet te veel belast. Misschien is de kar wel te zwaar, rijdt ze niet goed of heb je te weinig ruimte om te manoeuvreren. Je kunt dat op een eenvoudige manier checken met de zes KarVragen.