Zelfredzaamheid 'lezen' met Stickervel

Om zelfredzaamheid optimaal te kunnen stimuleren moet je weten wat je cliënt wel en niet kan. Op basis daarvan kun je de eventuele zelfredzaamheidtekorten gaan aanvullen. Bijvoorbeeld door te trainen, het inzetten van een hulpmiddel of door het overnemen van de handeling door de zorgverlening of mantelzorgers.
Dat 'weten wat je cliënt wel en niet kan' begint bij de Mobiliteitsklasse van de cliënt. De meest gebruikte indeling van cliënten op basis van hun mobiliteit is die in vijf klassen, aangeduid met de letters A tot en met E. Deze vijf klassen zijn ook gekoppeld aan de Praktijkrichtlijnen Fysieke Belasting, zodat je gelijk ook weet welk type hulpmiddel je moet gebruiken om fysieke overbelasting bij de zorgverleners te voorkomen.
De Mobiliteitsklasse kun je in het zorgdossier, bijvoorkeur op een Til- of Transferprotocol aangeven. Om dat makkelijker (en leuker) te maken zijn de icoontjes van de vijf Mobiliteitsklassen op een stickervel afgedrukt. Je kunt dan een stickertje in het dossier of op het protocol plakken. Als de Mobiliteitsklasse verandert, dan plak je er een ander stickertje overheen. Zo blijf je continu denken en werken aan zelfredzaamheid.